Hoe lokale besturen vastlopen in hun eigen vergunningenbeleid – en hoe minister Brouns eindelijk in actie moet schieten
- 16 mei 2025
- 5 minuten om te lezen
Als schepen van Ruimtelijke Ordening in een centrumstad weet ik hoe complex en frustrerend het vergunningenbeleid vandaag is. Wie ooit een bouwvergunning heeft aangevraagd, weet hoe het voelt: tergend traag, ondoorzichtig, omslachtig. Niet omdat ambtenaren hun werk niet goed doen – integendeel – maar omdat ze zelf vastzitten in een kluwen van regels, onduidelijke bevoegdheden en eindeloze adviesrondes. Lokale besturen willen vooruit, maar lopen vast in hun eigen systeem.
En dit is geen technisch detail of ambtelijke frustratie. Een goed werkend vergunningenbeleid bepaalt hoe onze buurten, dorpen en steden er morgen uitzien. Het gaat over wonen, mobiliteit, duurzaamheid, energie en economische ontwikkeling. Als vergunningen blijven vastzitten, komt alles stil te staan.
Een recente studie van de KU Leuven toont dat een jaar vertraging in een bouwdossier de waarde van een woningproject met bijna 3.000 euro per woning doet dalen. Op nationaal niveau betekent één maand vertraging een verlies van meer dan 12 miljoen euro. Dat is geen theorie – dat is echte stilstand met echte gevolgen.
Minister Brouns, het is tijd om kleur te bekennen
Toch blijft Vlaams minister van Omgeving Jo Brouns zich verschuilen achter overlegstructuren zoals de “gemengde commissie”. Dat klinkt ernstig, maar intussen blijft het stil. Terwijl steden blokkeren, investeerders afhaken en dossiers maanden – soms jaren – vertraging oplopen. Vlaanderen heeft nood aan duidelijke keuzes en moderne regels, niet aan alweer een ronde overleg zonder uitkomst.
De gevolgen merken we elke dag op het terrein. Neem het ruimtelijk plan voor Nelissen Steenfabrieken in Lanaken, dat nu dreigt te worden vernietigd door een advies van de auditeur bij de Raad van State over stikstofregels. Het toont hoe onzeker en onstabiel het hele juridische kader is geworden. Wat gisteren nog kon, is morgen plots verboden. Dat maakt het voor lokale besturen bijna onmogelijk om nog op een betrouwbare manier vergunningen af te leveren – laat staan beleid te voeren.
Vooroverleg moet duidelijkheid bieden, geen extra rondje vergaderen
Dat gebrek aan duidelijkheid begint vaak al in het vooroverleg – het moment waarop een ontwikkelaar of lokale ondernemer zijn plannen voorlegt aan de stad of gemeente, nog vóór hij officieel een vergunning aanvraagt. Zo’n vooroverleg zou net moeten helpen om het dossier later sneller en beter af te handelen. Alleen: in de praktijk is het te vaak een vrijblijvende babbel zonder duidelijke afspraken of richting. Er is geen tijdsdruk, geen verplichting om tot een besluit te komen, en alles blijft vaag.
Als we het vergunningenbeleid willen versnellen én verbeteren, moet dat vooroverleg hervormd worden. Geen eindeloze rondjes vergaderen, maar één of twee goed voorbereide gesprekken waarin het bestuur en zijn administratie klaar zegt: dit project kan in de huidige vorm niet, zelfs niet met aanpassingen – of wél, op voorwaarde dat er bepaalde dingen veranderen aan het project. En die conclusie moet zwart op wit komen. Alleen zo weten initiatiefnemers waar ze aan toe zijn, en worden misverstanden en tijdverlies vermeden.
Vlaanderen moet gemeenten daarin beter ondersteunen, met duidelijke richtlijnen en een uniforme aanpak. Vooroverleg moet niet vrijblijvend zijn, maar een sterk beginpunt van het dossier. Zo ontstaat vertrouwen, helderheid en snellere besluitvorming.
Geef gemeenten opnieuw het laatste woord
Vandaag kunnen lokale besturen een vergunning verlenen, maar toch onderuitgehaald worden door andere overheidsdiensten of adviesinstanties – zelfs als die enkel een advies geven. In principe zijn veel van die adviezen niet bindend, maar er is een belangrijke uitzondering: als het gaat om adviezen die gebaseerd zijn op een rechtstreeks toepasbare regel – zoals bijvoorbeeld de beoordeling van stikstofimpact op natuurgebieden – dan moet een bestuur dat advies volgen. Dat is logisch: zulke regels zijn wettelijk afdwingbaar en gelden voor iedereen.
Maar in de meeste andere gevallen zijn adviezen dus formeel niet-bindend. Alleen: in de praktijk ligt dat anders. Rechtbanken leggen een strenge motiveringsplicht op wanneer een bestuur wil afwijken van zo’n ongunstig advies. En als het lokale bestuur niet over de juiste technische kennis beschikt om dat goed te onderbouwen, wordt het risico op vernietiging zo groot dat men bijna automatisch weigert.
Het gevolg? Zelfs wanneer een bestuur het project verdedigbaar acht, zegt het uit voorzichtigheid toch vaak nee. Dat is geen gezonde situatie. Gemeenten moeten het vertrouwen én de ruimte krijgen om zelf te oordelen, met respect voor de wet, maar zonder schrik om gecorrigeerd te worden voor elk inhoudelijk verschil. De regel moet zijn: adviezen zijn richtinggevend – behalve waar de wet dwingend spreekt. Alleen zo krijg je duidelijkheid, verantwoordelijkheid en snellere beslissingen.
Inspraak is belangrijk – maar het systeem mag niet vastlopen
Inspraak is een recht, en protest van burgers moet gehoord worden. Maar vandaag wordt het systeem soms misbruikt. Eén actiegroep – of zelfs één individu – kan een volledig project jarenlang blokkeren, ook al heeft die persoon er persoonlijk weinig tot niets mee te maken. Eerdere pogingen om zulke beroepsprocedures te beperken, zijn door het Grondwettelijk Hof vernietigd.
Daarom moeten we op zoek naar een nieuw evenwicht. Een mogelijke oplossing is het invoeren van een voorlopig besluit door het gemeentebestuur. Dat besluit heeft nog geen juridische gevolgen, maar maakt het wél mogelijk om een openbaar onderzoek te organiseren waarin burgers hun mening kunnen geven op basis van het volledige dossier – inclusief alle adviezen. Dat verhoogt de kwaliteit van de inspraak én laat toe om juridische onzin eruit te filteren. Participatie en voortgang kunnen perfect samengaan – als Vlaanderen de moed heeft om het systeem aan te passen.
Stop de blokkering van kernverdichting door verouderde plannen
Iedereen is het erover eens: we moeten dichter en compacter bouwen, vooral in stads- en dorpskernen. Zo vermijden we extra verharding en versnippering van het landschap. Maar in de praktijk botsen we op oude, verouderde plannen uit de jaren ’80 of ’90 – de zogenaamde BPA’s (bijzondere plannen van aanleg). Die bevatten vaak achterhaalde regels over bouwhoogtes, functies of volumes.
En wat blijkt? Afwijken van zo’n BPA is quasi onmogelijk. De rechtspraak is streng: zo’n plan moet volledig worden toegepast zoals het er ligt, en afwijken mag alleen als het BPA nog aanvullend is op het onderliggende gewestplan. Dat is in de praktijk zelden zo. Resultaat: kwaliteitsvolle projecten vallen stil, niet omdat ze slecht zijn, maar omdat de papieren werkelijkheid is blijven hangen in het verleden.
De oplossing is nochtans eenvoudig: geef lokale besturen de mogelijkheid om van sterk verouderde plannen af te wijken, als ze dat goed motiveren en het project past binnen het actuele beleid. Laat steden en gemeenten bouwen aan de toekomst – niet aan een visie uit 1993.
Vlaanderen heeft geen tijd meer te verliezen
Er is genoeg gepalaverd. De oplossingen liggen op tafel: snellere procedures, duidelijke regels, meer vertrouwen in lokale besturen, modernere wetgeving. Gemeenten staan klaar om hun verantwoordelijkheid op te nemen. Maar dat lukt niet als ze telkens opnieuw geblokkeerd worden. Minister Brouns, Vlaanderen wacht op duidelijkheid. Niet op nóg een commissie.

Opmerkingen